Ga naar hoofdinhoud
Cover van De Elvis

Ik schreef een verhaal over Amerika, Baltimore en mijn associatie bij Elvis voor De Elvis #19. Een uitgave in de serie ‘Almost in Elvis’, een langlopende productie van magazines en boeken geïnspireerd op alles waar Mr Presley voor staat door Dennis van Tiel. Ook heb ik de eindredactie van deze glossy van 116 pagina’s vol liefdevolle en eigenaardige verhalen mogen verzorgen. Ik heb mij vooral laten inspireren door de ‘nature’s call’, zoals Elvis eufemistisch zijn backstage-activiteiten noemde. Het was een enorm leuke klus en nu maar hopen dat dit prachtige boekwerk de aandacht krijgt die het verdient! De Elvis #19 is te bestellen op Almost in Elvis én op bol.com.

Het leven dat ik niet leid in de Verenigde Staten

Ik heb een leven in de Verenigde Staten maar ik leid het niet. Dat is begonnen in september 2006 toen ik vanuit Baltimore terugverhuisde naar Nederland. In het voorafgaande jaar vielen mijn beide levens met elkaar samen. Want toen woonde ik ook werkelijk aan de andere kant van de oceaan. Daarna is mijn leven gesplitst zoals je een grasspriet voorzichtig uit elkaar trekt in twee gelijke strookjes.

Ik was meegekomen met mijn man die als postdoc ging werken aan een van de vele universiteiten in Baltimore. Postdoc posities zijn er voor vers-gepromoveerde onderzoekers. Die zoeken ze eigenlijk overal, dus we hadden het voor het kiezen. En wij kozen voor Baltimore, bekend van de musical Hairspray waarin Tracy Turnblad ervan droomt om te dansen in de Corny Collins Show. En bekend van één van de optredens van Elvis waarop hij vanwege zijn gezondheid (‘nature’s call’) een onduidelijk half uur backstage verdween. Ik heb het over het optreden van 29 mei 1977 in het Baltimore Civic Center; zo eerlijk beschreven in een recensie in Variety. Bekend ook van de armoede, van allerlei druggerelateerde ellende (denk: de dramaserie The Wire) maar ook van de krab. Wat kan je daar een krab eten! Schort om, tang bij de hand en kraken.

Mijn man werkte van vroeg tot laat aan zijn nieuwe onderzoek, zes dagen per week, in een kelderruimte, zonder ramen. Erg vrolijk werd hij er niet van maar volgens een Nederlandse collega had hij het maar gemakkelijk want zij werkte ook op zondag. Sterker nog, het hoofd van haar afdeling plande meetings op zondagochtend om 7 uur.

Zolang we nog geen appartement hadden gevonden, huurden we tijdelijk een kamer bij Mr Dobry. De kamer was in het huis van zijn overleden moeder. Hij had besloten dat voorlopig niet te verkopen maar de twee slaapkamers op de bovenste verdieping te verhuren. Hij had ze netjes ingericht. Maar efficiënt of lui als deze landlord was had hij op de benedenverdieping niets veranderd. Dat was nog steeds oma’s rommelige paradijsje. De keukenkastjes stonden vol potjes en spulletjes van zijn moeder, met haar recepten aan de binnenkant van de deurtjes geplakt. Naast de eettafel stond een tafereel dat nog het meeste leek op de berg van Golgotha mét Maria maar dan in brooddeeg… We probeerden ons door het huis te bewegen terwijl we zo min mogelijk aanraakten.

De verhuurder van de andere kamer was heel stil en op een dag hoorden we hem helemaal niet meer. Mr Dobry kwam kijken en toen bleek dat hij was vertrokken. Hij had alleen het hoognodige ingepakt en de rest gewoon laten liggen.  Zuchtend van ergernis en puffend van het vele traplopen waren Mr Dobry en zijn vrouw de hele dag bezig boeken, sportspullen en kleding af te voeren zodat ze de kamer weer snel konden verhuren.

We vonden een appartement op Pratt Street en als je die lange straat helemaal afliep eindigde je bij de haven, de Harbour. En als je nog verder doorliep dan kwam je uit bij de universiteit. Maar dat was een wandeling die niemand maakte want dan moest je door hele armoedige straten waar ‘s avonds helikopters met zoeklichten boven hingen.

Marlies in de sneeuw in Patterson Park BaltimoreOnze nieuwe landlord was Mr Fish die verschillende panden bezat en verhuurde. Als bedrijfslogootje had hij een klein rood visje bedacht en dat zat keurig geborduurd op zijn borstzakje. Als je hem belde kwam hij meteen zenuwachtig aangereden in zijn witte busje met op de zijkant een sticker van een rood visje. Het busje zat vol huisbaas-spullen zoals verf, hamers, planken, houtjes, veren en zagen waarmee hij in principe elk probleem van elke huurder in no-time oploste, elke keer weer tot zijn eigen grote opluchting.

Het appartement was sfeervol met een rode bakstenen muur en een grote slaapkamer aan de achterkant. Via een klein trappetje midden in het huis, alsof Mr Fish dat zelf zo had uitgezaagd, kon je afdalen naar de kelder en daar was de keuken. In de keuken was een soort grote hoge tafel neergezet met een enorm rood-wit geblokt tafelkleed eroverheen, maar verder was er niks. Toen we onze koffers hadden verhuisd, realiseerden we ons dat ongemeubileerd echt heel kaal is. Mr Dobry was zo aardig geweest ons te verhuizen, waarschijnlijk omdat hij ook met eigen ogen wilde zien dat we de hele slaapkamer keurig achterlieten. En nu bood hij ons een lift aan naar de Ikea. Hij liet wel duidelijk merken dat we niet te veel van zijn tijd moesten verdoen.

We raceten dus de ‘Ai-kie-ah’ binnen en kochten haastig het broodnodige als een pannenset, twee stoelen, een bed en een matras. Toen was ons appartement minimaal gemeubileerd. De rest kregen we van een aardige Australische buurvrouw. Ze had tien jaar bij een sekte gezeten en geen enkel diploma. Op haar koelkast had ze een fotootje geplakt van een peuterjongetje met grote blauwe ogen. Zo’n kind wilde ze. Ze vroeg of ik haar kon helpen haar cv te schrijven. Daar was ik namelijk heel bedreven in geworden want ik had stapels boeken gelezen over resume-writing en solliciteren.

Ik had als partner van een visum gekregen waar ik mee mocht werken en al gauw kon ik aan de slag als verkoopster in een interieurwinkel in de opgeknapte havenbuurt van Baltimore. Hier kwamen rijke Amerikanen die veel te dure lampen, vazen en bankstellen kochten alsof het snoep was. Ondertussen bleef ik solliciteren, want ik wilde een baan met meer uitdaging, meer schrijven en denken dus ik doorzocht allerlei vacaturewebsites en -krantjes.

Op een dag kreeg ik de langverwachte uitnodiging voor een sollicitatiegesprek. Ik kon production editor worden bij een academische uitgeverij maar dan moest ik natuurlijk een copy editing test doen, dus dat betekende dat ik alle regels voor spelling, hoofdletters en leestekens perfect uit mijn hoofd moest weten. De regels die de uitgeverij hanteerde, waren die uit de Chicago Manual of Style. Ik besloot het boek van ongeveer acht centimeter dik uit mijn hoofd te leren. Ik zag dit boek – alsof ik de hoofdrol had in een Hollywoodfilm – als het entreekaartje naar een mooie Amerikaanse toekomst. Ik slaagde honderd procent voor de test. Sterker nog, zo’n goede uitslag hadden ze nog nooit gehad en ik kreeg de baan. Er hoorde een eigen kantoortje bij, zonder ramen. Dat zou ik krijgen als ik promotie maakte. En mocht ik ooit hoofd van de afdeling worden, dan lonkte daar de corner office, met ramen aan twee zijden.

Mijn Amerikaanse kantoorbaan bleek zeer overzichtelijk. Iedereen werkte fulltime en ik zag dus elke dag dezelfde collega’s wat overleggen en plannen zeer eenvoudig maakte. Ik moest elke maand zorgen dat er twee journals helemaal tiptop klaar waren om gedrukt te worden. Alles moest kloppen qua hoofdletters, leestekens, paginanummers, inhoudsopgave, voetnoten en spelling. Er was zoveel dat fout kon gaan dat er niks anders op zat dan in mijn kantoortje eindeloos de proeven door te nemen en alle foutjes zo precies mogelijk te markeren. Bij twijfel raadpleegde ik het grote rode boek en anders de collega production editor aan de overkant van de gang. Maar ze wordt niet graag gestoord. Op vrijdag is het casual Friday en moet je in je spijkerbroek komen. Als ik het een keer vergeet word ik er de hele dag aan herinnerd door collega’s.

Na een paar maanden onder de grond te hebben gewerkt, overwoog mijn man een overstap naar een universiteit in North Carolina. Ze hadden misschien een postdoc positie voor hem dus we gingen er ‘even’ heen om kennis te maken. Het was uren rijden langs een zichzelf herhalende snelweg. Om de zoveel kilometer een totaal identieke afslag met Wendy’s, Dunkin’ Donuts en iets van Burger King of McDonalds. Mijn man wist het niet. Wilde hij nog wel onderzoeken? Wat had hij hier dat hij in Nederland niet kon krijgen? De twijfel sloeg toe. Moesten we blijven of niet. Zo kwam het dat mijn leven in september 2006 een afslag nam naar Amsterdam.

Maar ik wil mijn Amerikaanse leven niet helemaal opgeven. Ik heb er hard voor gewerkt en het begint net vorm te krijgen met een appartement en een baan. Ik ben al een keer Cosmopolitans gaan drinken met de leukste collega’s. We zijn er op uit geweest, naar National Parks, naar New York en de musea in Washington DC. Ik hou van de uitgestrektheid van het land, van al het Amerikaanse dat ik hier binnen handbereik heb en van de manier waarop hard werken wordt beloond. Ik denk dat het mij ligt.

Dus ik laat het doorlopen. Ik behoud mijn leven dat ik niet leid in de Verenigde Staten. In mijn Amerikaanse leven woonden we een paar jaar in het huis tegenover ons appartement en waar we een keer verlangend naar binnen keken toen het te koop stond. Ik werkte nog een tijdje bij de uitgeverij totdat ik werd uitgenodigd voor een job interview bij de concurrent (ook academische uitgeverijen hebben concurrenten!). Want daar was mijn collega begonnen.  En daarna maakte ik weer promotie en begon ik bij een uitgeverij in Los Angeles. Ik kreeg een groot huis met een veranda en een tuin met speelhuis voor de kinderen. Want ik ben intussen moeder van twee kinderen, die gelukkig dezelfde namen hebben als mijn echte kinderen. Zodat ze ook mee kunnen doen aan dit parallelle leven (en dat doen ze graag).

Dat mijn Amerikaanse leven een beetje lijkt op de levens van mijn ex-collega’s die ik nog volg op Facebook is natuurlijk puur toeval. Ik loop mee in de Women’s March, Ik kan niet meer lachen om ‘orange guy’. Ik verhuis om de paar jaar: van Baltimore naar Las Vegas naar een kleine stad in Virginia. Of van Baltimore naar Los Angeles naar Washington D.C. Ik zit er bovenop dat mijn kinderen op de beste scholen komen want dat is de flinterdunne bescherming die ik ze kan bieden tegen het systemisch racisme in het land. Ik ben vaak onderweg voor mijn werk, soms het hele weekend en mis weleens een vlucht. En dan mis ik mijn kinderen verschrikkelijk.

Met Halloween verkleed ik ze als schattige pompoenen en met Christmas laat ik ze melk en koekjes klaarzetten voor de kerstman en verwen ik ze van top tot teen. Ik ga taco’s eten en margarita’s drinken met mijn man op vrijdagavond. En als het even kan, pakken we de auto en rijden een paar uur om in de Appalachian Mountains, Joshua Tree of Seneca Rocks een ommetje te hiken, te climben of te campen.

Als het leven me even niet bevalt, neem ik een afslag en verdwijn ik even backstage naar mijn leven dat ik niet leid in de Verenigde Staten. ‘Nature’s call’… en dat gaat al 14 jaar goed.

Marlies Klooster – juli 2021

 

 

Delen
Back To Top